Invarianten

Freinet zelf legde zijn idee vast in wat hij "invarianten" noemde. "Invariant" is wiskundejargon en betekent : een onveranderd blijvende grootheid. Invarianten zijn dus onveranderlijke basisprincipes. De 30 invarianten vertolken Freinets inzichten over de aard van het kind, over de reacties van het kind en over de opvoedende technieken.

DE AARD VAN HET KIND

1. Kind en volwassene zijn gelijk van aard.

Enerzijds is het kind onwetend, onervaren en organisch zwakker, anderzijds beschikt het over een enorme levenskracht, maar leeft precies volgens dezelfde beginselen als de volwassene. Tussen beiden is geen verschil in natuur, alleen een verschil in graad.

2. Groter zijn betekent niet noodzakelijk superieur zijn.

Leef tussen je leerlingen. Zo kom je direct tot open opvoeding en sta je direct op gelijk niveau met de kinderen. Je ziet ze niet meer met de ogen van een pedagoog of van een baas, maar zoals een gewoon mens kinderen ziet.

3. Het gedrag van een kind op school toont de functie van zijn gestel, van zijn fysiologische en organische toestand.

Vergeet niet dat ook jij maar half werk levert als je hoofd- of kiespijn hebt, als je maag slecht verteert of als je hongerig bent. Span je in om de psychologische, psychische of sociale oorzaken van zijn gedrag te achterhalen.

DE REACTIES VAN HET KIND

 4. Autoritaire bevelen wekken weerstand op. Niemand werkt graag op bevel.

Die weerstand is een fysiologische en psychologische reflex.
Probeer eerder te verleiden dan te dwingen.

5. Niemand staat graag in het gelid.

De gevaarlijke verplichtingen zijn die welke de kinderen als zinloos aanvoelen. Bij werk of spel in groep, ook in de sport, wordt de vaste opstelling als noodzakelijk aangevoeld en schept ze geen problemen.

6. Niemand houdt ervan gedwongen te worden.

Niet het werk, maar het bevel wekt weerstand op. Men verleert het werken, de angst groeit, er ontstaat afkeer.

7. Zelfgekozen bezigheden geven meer voldoening.
De ambachtsman verkiest zijn vrij georganiseerde bezigheid boven het opgelegde fabrieksritme, zelfs wanneer hij op die manier harder en langer moet werken.

8. Niemand werkt graag zonder te weten waartoe zijn inspanning dient.

9. We moeten het werk motiveren.

Doen verlangen naar groei en kennis. Het kind schrijft met plezier een vrije tekst voor de klaskrant of een tekst voor zijn correspondent, of wanneer het drukt, schildert, wanneer het wetenschappelijke proefjes doet of een uiteenzetting voorbereidt.

10. Geen schools gedreun meer.

Breng opdrachten naar voor waar we allemaal belangstelling voor kunnen hebben, waarvoor leerlingen en leerkrachten zich samen willen inzetten, ook buiten de officiële schooltijd, tijdens de pauze, zonder op de klok te letten.

10 bis. Ieder mens wil slagen.

De mislukking remt en breekt het enthousiasme. Probeer je kinderen altijd te doen slagen.
Pas de pedagogie toe die het de kinderen mogelijk maakt te slagen; laat ze taken en vrije teksten aanbieden waar ze met liefde aan gewerkt hebben, schilderijen en kleiwerkjes maken die meesterwerken zijn, uiteenzettingen geven die door het publiek met handgeklap worden beloond.

10 ter. Het werk, niet het spel, is de natuurlijke bezigheid van een kind.

OPVOEDENDE TECHNIEKEN

 11. Het experimenteel zoeken is de normale, natuurlijke en universele weg tot verwerving.

Uitleg leidt tot een oppervlakkige, formele kennisverwerving die nooit dieper in het leven of in de omgeving van het individu ingrijpt; het experimenteel zoeken is absoluut noodzakelijk.

12.Het geheugen heeft slechts waarde wanneer het experimenteel zoeken dient.

In levend onderwijs is het geheugen slechts een technisch hulpmiddel.

13. Regels en wetten moeten het resultaat zijn van ervaring, waarneming en onderzoek.

Het verwerven van kennis gebeurt door de praktijk.

14. Intelligentie is geen gave die alleen op eigen kracht teert.

Intelligentie betekent: ontvankelijk zijn voor ervaringen.

15. De traditionele school cultiveert een abstracte vorm van intelligentie.

Er bestaan nog andere vormen van intelligentie, verschillend naargelang het uitgangspunt van het experimenteel zoeken dat als basis genomen wordt:

- de intelligentie van de handen, die voortvloeit uit de kwaliteiten waarmee men vat probeert te krijgen op de omgeving, om die om te vormen en te beheersen;
- de kunstintelligentie;
- de intelligentie van het gezond verstand;
- de speculatieve intelligentie, het genie van wetenschappelijke vorsers en grootmeesters van handel en industrie;
- de politieke en sociale intelligentie.

16. Een kind luistert niet graag naar "ex cathedra"-lessen.

Wanneer het kind van een eigen activiteit vertrekt, van een proefneming, een onderzoek, wat lectuur, dat het begint met gegevens uit de documentatiemappen te halen en ze te ordenen, zal het vanzelf vragen stellen over punten die hem boeien of nieuwsgierig maken.
Geef dan het antwoord op zijn vragen: je komt tot wat we noemen de "les a posteriori", een antwoord op een echte vraag, niet een verklaring zonder probleem.

17. Van levend, functioneel werk wordt een kind niet moe.

Wanneer een kind bezig is met een stuk werk dat aan zijn behoefte beantwoordt, wordt het niet moe.

18. Niemand - kind noch volwassene - houdt van controle en sancties, die steeds kwetsen.

Een moeder straft haar kind niet omdat het een woord verkeerd uitspreekt of omdat het valt bij het leren lopen. Ze weet vanzelf dat het kind van nature zijn best doet om te slagen. Het kind niet bestraffen, maar het helpen slagen, helpen het tekort in te halen, de moeilijkheid te overwinnen.

19. Cijfers en klasseringen zijn fout.

In de praktijk beperkt men zich tot wat meetbaar is. Een oefening, een som, een vraagstuk, een overhoring kan je betrekkelijk gemakkelijk beoordelen. Maar het begrijpen, de functie van de intelligentie, de creativiteit, het wetenschappelijke, de vindingrijkheid, de zin voor het artistieke, het historische, kan je niet afmeten en -wegen.

20. Praat zo weinig mogelijk.

Stromen uitleg dienen tot niets. Hoe minder we praten, hoe meer we doen. Wie heel aandachtig werkt, praat niet. We vormen onszelf niet door de uitleg en de bewijsvoeringen van anderen, maar door de eigen actie en door zelf te experimenteren.

21. Kinderen houden niet van kuddewerk.

Ze verkiezen individueel werk, of groepswerk.
Dit is een veroordeling van de traditionele schoolse praktijken, waarbij alle kinderen op hetzelfde ogenblik met hetzelfde bezig zijn. Of je ze nu per leeftijd of per afdeling samenzet, nooit zullen ze dezelfde behoeften of dezelfde aanleg hebben.
In een groep werken of coöperatief werken, betekent niet noodzakelijk dat ieder lid van de groep hetzelfde werk doet. Het individu moet integendeel zoveel mogelijk zijn persoonlijkheid bewaren en ontwikkelen, maar die ten dienste stellen van de gemeenschap.

22. Orde en discipline zijn noodzakelijk in de klas.

Een klas die op hetzelfde moment met verschillend werk bezig is, heeft veel meer behoefte aan orde en gezag. De kinderen zullen zichzelf aan discipline onderwerpen omdat ze WILLEN werken en vooruitkomen volgens een regeling die aangepast is aan hun aard en aan hun werk.

23. Straffen zijn altijd fout.

Er is altijd vernedering, zelfs als het kind die vernedering verbergt achter trots of pocherij.
Het is noodzakelijk de kinderen bij het werk van de klas te betrekken, hun interessen een kans te geven, hun scheppende behoeften te ontwikkelen en sancties overbodig te maken.

24. Het nieuwe schoolleven veronderstelt een aangepaste schoollokatie.

De muurkrant en de wekelijkse klasraad (een algemene vergadering) zijn de basistechnieken van een dergelijke samenwerking. De leerkracht moet zich integreren in de samenwerking.

25. Overbevolkte klassen zijn altijd pedagogisch fout.

Wel van belang daarentegen is de vorming in het kind van de mens van morgen. De nodige kwaliteiten hiervoor kan men niet verwerven of ontwikkelen in een anonieme groep. Ze kunnen zich slechts ontwikkelen wanneer er werkelijk gelegenheid is tot werken, tot individueel en sociaal optreden.

26. Grote schoolcomplexen leiden tot het anoniem naast elkaar leven van leerkrachten en leerlingen.

Belangrijk zijn kleine scholen waar de mensen elkaar kunnen leren kennen, waar de leerkrachten als vrienden met elkaar praten en de kinderen volgen in hun ontwikkeling.

27. De democratie van morgen wordt voorbereid door de democratie op school.

Zo kan de Moderne School door haar democratisch karakter en dus door haar voorbeeld, haar optreden en haar invloed de kinderen op de echte democratie voorbereiden.

28. Men kan slechts opvoeden in waardigheid.

Dat de leerkrachten de leerlingen respecteren en de leerlingen eerbied hebben voor hun leerkrachten.

29. De pedagogische vernieuwing is een element van de maatschappijvernieuwing.

De reactie ertegen is evenzeer een element van sociale en politieke reactie en is niet te vermijden.

30. Om vooruit te komen, moet men geloven in het leven, in een toekomst voor iedereen.